infarct
zelfstandig naamwoord ɪɱˈfɑrᵊktBetekenis
- afsterving van weefsel ten gevolge van verstopping van een ader of slagader
Hoe spreek je infarct uit?
/ɪmˈfɑrəkt/
Infarct bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| m | maan |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- verstopping van een ader of slagader, leidend tot de afsterving van weefsel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| infarcten | meervoud |
| infarctje | verkleinwoord, enkelvoud |
| infarctjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van modern Latijn infarctus, in de betekenis van ‘verstopping van de bloedtoevoer’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van infarct
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| infarcten | meervoud | infarct |
| infarctje | verkleinwoord | infarct |
| infarctjes | verkleinwoord meervoud | infarct |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van infarct zijn vastgelegd.