schieten
werkwoord ˈsxitə(n)Betekenis
- een projectiel afvuren met een wapen
- de bal een trap geven (bv. in het voetbal) of een slag geven (bv. met een hockeystick)
- zich snel voortbewegen
- snel groeien
Hoe spreek je schieten uit?
/ˈsxitən/
Schieten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| i | riet |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- plotseling iets doen
Vervoeging van schieten
schietenhele werkwoord — schootverleden tijd enkelvoud — schotenverleden tijd meervoud — geschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet | schoot |
| jij | schiet | schoot |
| hij, zij, het | schiet | schoot |
| wij | schieten | schoten |
| jullie | schieten | schoten |
| zij | schieten | schoten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschoten | verleden tijd, deelwoord |
| geschoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schiet | gebiedende wijs |
| schiete | aanvoegende wijs |
| schietend | onvoltooid, deelwoord |
| schoot | verleden tijd |
| te hebben geschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘snel bewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van schieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschoten | voltooid deelwoord | schieten |
| schiet | gebiedende wijs | schieten |
| schiete | aanvoegende wijs | schieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schieten zijn vastgelegd.