uiteenspatten
werkwoordBetekenis
- explosief in vele kleine stukken of druppels uit elkaar vliegen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van uiteenspatten
uiteenspattenhele werkwoord — spatte uiteenverleden tijd enkelvoud — spatten uiteenverleden tijd meervoud — uiteengespatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spat uiteen | spatte uiteen |
| jij | spat uiteen | spatte uiteen |
| hij, zij, het | spat uiteen | spatte uiteen |
| wij | spatten uiteen | spatten uiteen |
| jullie | spatten uiteen | spatten uiteen |
| zij | spatten uiteen | spatten uiteen |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spat uiteen | gebiedende wijs |
| spatte uiteen | verleden tijd |
| te zijn uiteengespat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteenspatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te spatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen spatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal spatten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou spatten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden spatten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt spatten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen spatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen spatten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult spatten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengespat | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengespat te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengespat zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteenspat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenspatte | bijzin, verleden tijd |
| uiteenspattend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uiteengespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengespat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uiteengespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengespat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uiteengespat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uiteengespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uiteengespat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uiteengespat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengespat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengespat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteenspatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uiteengespat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uiteengespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uiteengespat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengespat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengespat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteenspatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteenspatten uiteen zou(dt) spatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengespat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengespat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengespat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteenspatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengespat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteenspatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteengespat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengespat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengespat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteenspatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteenspatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengespat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteenspatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uiteenspatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uiteenspatten uiteen zult/zal spatten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en spatten ww
Woordfamilie van uiteenspatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spat uiteen | gebiedende wijs | uiteenspatten |
| spatte uiteen | verleden tijd | uiteenspatten |
| spatten uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenspatten |
| uiteengespat | voltooid deelwoord | uiteenspatten |
| uiteenspat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenspatten |
| uiteenspatte | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenspatten |
| uiteenspattend | onvoltooid deelwoord | uiteenspatten |
| uiteenspattende | woordvorm | uiteenspatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenspatten zijn vastgelegd.