expliqueren
werkwoordBetekenis
- uitleggen
Vervoeging van expliqueren
expliquerenhele werkwoord — expliqueerdeverleden tijd enkelvoud — expliqueerdenverleden tijd meervoud — geëxpliqueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | expliqueer | expliqueerde |
| jij | expliqueert | expliqueerde |
| hij, zij, het | expliqueert | expliqueerde |
| wij | expliqueren | expliqueerden |
| jullie | expliqueren | expliqueerden |
| zij | expliqueren | expliqueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëxpliqueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëxpliqueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëxpliqueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëxpliqueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëxpliqueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëxpliqueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëxpliqueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëxpliqueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| expliqueer | gebiedende wijs |
| expliqueerde | verleden tijd |
| expliquere | aanvoegende wijs |
| expliquerend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxpliqueerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxpliqueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxpliqueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxpliqueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpliqueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpliqueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpliqueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxpliqueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxpliqueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxpliqueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxpliqueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxpliqueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te expliqueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxpliqueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen expliqueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëxpliqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëxpliqueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxpliqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpliqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxpliqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëxpliqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpliqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëxpliqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxpliqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpliqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpliqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpliqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpliqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpliqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxpliqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxpliqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxpliqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxpliqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxpliqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxpliqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxpliqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxpliqueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen expliqueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxpliqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxpliqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxpliqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxpliqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxpliqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxpliqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult expliqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxpliqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxpliqueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxpliqueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van het Franse expliquer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van expliqueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| expliqueer | gebiedende wijs | expliqueren |
| expliqueerde | verleden tijd | expliqueren |
| expliqueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | expliqueren |
| expliqueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | expliqueren |
| expliquere | aanvoegende wijs | expliqueren |
| expliquerend | onvoltooid deelwoord | expliqueren |
| expliquerende | woordvorm | expliqueren |
| geëxpliqueerd | voltooid deelwoord | expliqueren |
| geëxpliqueerde | woordvorm | expliqueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van expliqueren zijn vastgelegd.