Naar de inhoud

doceren

een universitair college verzorgen

doceren

werkwoord doˈserə(n)

Betekenis

  1. een universitair college verzorgen

Hoe spreek je doceren uit?

/doˈserən/

Doceren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /doˈserən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
o boot
s sok
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van doceren

docerenhele werkwoord — doceerdeverleden tijd enkelvoud — doceerdenverleden tijd meervoud — gedoceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doceer doceerde
jij doceert doceerde
hij, zij, het doceert doceerde
wij doceren doceerden
jullie doceren doceerden
zij doceren doceerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
doceer gebiedende wijs
doceerde verleden tijd
docere aanvoegende wijs
docerend onvoltooid, deelwoord
er is gedoceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedoceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedoceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedoceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedoceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedoceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedoceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedoceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedoceerd verleden tijd, deelwoord
gedoceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedoceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedoceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedoceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedoceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedoceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedoceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedoceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedoceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te doceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedoceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal doceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou doceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt doceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedoceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen doceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen doceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen doceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen doceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult doceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedoceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderwijzen’ voor het eerst aangetroffen in 1539

Woordfamilie van doceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
doceer gebiedende wijs doceren
doceerde verleden tijd doceren
doceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon doceren
doceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon doceren
docere aanvoegende wijs doceren
docerend onvoltooid deelwoord doceren
docerende woordvorm doceren
gedoceerd voltooid deelwoord doceren
gedoceerde woordvorm doceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doceren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over doceren

Hoe spreek ik doceren uit?
Zo spreek je doceren uit: /doˈserə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van doceren?
Doceren is een werkwoord. De betekenis is: een universitair college verzorgen.
Hoe vervoeg ik doceren?
Zo vervoeg je doceren zo: de tegenwoordige tijd is doceer, de verleden tijd is doceerde en het voltooid deelwoord is gedoceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op doceren?

In dit woordenboek rijmen 395 woorden op -eren op doceren, zoals abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord doceren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. C 5
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

doceren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. C 5
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

doceren telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

doceren in het kort

doceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van doceren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort doceren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

doceren: een universitair college verzorgen
Deel doceren — standaardnederlands.nl