docentschap
zelfstandig naamwoord do'sɛntsxɑpBetekenis
- wat de functie van docent zoal inhoudt
Hoe spreek je docentschap uit?
/doˈsɛntsxɑp/
Docentschap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| docentschapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| docentschapjes | verkleinwoord, meervoud |
| docentschappen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘plaats of functie als docent’ voor het eerst aangetroffen in 1976
Woordfamilie van docentschap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| docentschapje | verkleinwoord | docentschap |
| docentschapjes | verkleinwoord meervoud | docentschap |
| docentschappen | meervoud | docentschap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van docentschap zijn vastgelegd.