dissociëren
werkwoord ˌdɪsoˈʃerə(n)Betekenis
- in kleinere delen uiteenvallen
Hoe spreek je dissociëren uit?
/ˌdɪsoˈʃerən/
Dissociëren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| o | boot |
| ʃ | sjaal |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dissociëren
dissociërenhele werkwoord — dissocieerdeverleden tijd enkelvoud — dissocieerdenverleden tijd meervoud — gedissocieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dissocieer | dissocieerde |
| jij | dissocieert | dissocieerde |
| hij, zij, het | dissocieert | dissocieerde |
| wij | dissociëren | dissocieerden |
| jullie | dissociëren | dissocieerden |
| zij | dissociëren | dissocieerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dissocieer | gebiedende wijs |
| dissocieerde | verleden tijd |
| dissociëre | aanvoegende wijs |
| dissociërend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedissocieerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedissocieerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedissocieerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dissociëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gedissocieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dissociëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedissocieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedissocieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedissocieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedissocieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedissocieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedissocieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedissocieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedissocieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedissocieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedissocieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedissocieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedissocieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedissocieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedissocieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedissocieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedissocieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedissocieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedissocieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedissocieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dissociëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedissocieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedissocieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedissocieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dissociëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedissocieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse dissocier (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van dissociëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dissocieer | gebiedende wijs | dissociëren |
| dissocieerde | verleden tijd | dissociëren |
| dissocieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dissociëren |
| dissocieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dissociëren |
| dissociëre | aanvoegende wijs | dissociëren |
| dissociërend | onvoltooid deelwoord | dissociëren |
| dissociërende | woordvorm | dissociëren |
| gedissocieerd | voltooid deelwoord | dissociëren |
| gedissocieerde | woordvorm | dissociëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dissociëren zijn vastgelegd.