Naar de inhoud

dicteren

zeggen wat een ander moet schrijven

dicteren

werkwoord dɪkˈterə(n)

Betekenis

  1. zeggen wat een ander moet schrijven
  2. dwingend voorschrijven
  3. in een wedstrijd op de eerste plaats staan

Hoe spreek je dicteren uit?

/dɪkˈterən/

Dicteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /dɪkˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
ɪ pit
k kat
t tak
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van dicteren

dicterenhele werkwoord — dicteerdeverleden tijd enkelvoud — dicteerdenverleden tijd meervoud — gedicteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dicteer dicteerde
jij dicteert dicteerde
hij, zij, het dicteert dicteerde
wij dicteren dicteerden
jullie dicteren dicteerden
zij dicteren dicteerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
dicteer gebiedende wijs
dicteerde verleden tijd
dictere aanvoegende wijs
dicterend onvoltooid, deelwoord
er is gedicteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedicteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedicteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedicteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedicteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedicteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedicteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedicteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedicteerd verleden tijd, deelwoord
gedicteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedicteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedicteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedicteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedicteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedicteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedicteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedicteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedicteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedicteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedicteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedicteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedicteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedicteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedicteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedicteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedicteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te dicteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedicteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dicteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal dicteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dicteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dicteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedicteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedicteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedicteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou dicteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dicteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dicteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedicteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedicteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedicteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dicteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dicteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dicteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedicteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedicteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedicteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt dicteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedicteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen dicteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dicteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dicteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dicteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedicteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedicteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedicteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult dicteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedicteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorzeggen wat iem. moet opschrijven, voorschrijven’ voor het eerst aangetroffen in 1451

Woordfamilie van dicteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dicteer gebiedende wijs dicteren
dicteerde verleden tijd dicteren
dicteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dicteren
dicteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dicteren
dictere aanvoegende wijs dicteren
dicterend onvoltooid deelwoord dicteren
dicterende woordvorm dicteren
gedicteerd voltooid deelwoord dicteren
gedicteerde woordvorm dicteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dicteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over dicteren

Hoe spreek je dicteren uit?
De uitspraak van dicteren is: /dɪkˈterə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent dicteren?
Dicteren is een werkwoord. Het woord betekent: zeggen wat een ander moet schrijven. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je dicteren?
Je vervoegt dicteren als volgt: de tegenwoordige tijd is dicteer, de verleden tijd is dicteerde en het voltooid deelwoord is gedicteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op dicteren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op dicteren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dicteren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. C 5
  4. T 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dicteren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. C 5
  4. T 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dicteren in het kort

dicteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van dicteren zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort dicteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

dicteren: zeggen wat een ander moet schrijven
Deel dicteren — standaardnederlands.nl