confronteren
werkwoord ˌkɔɱfrɔnˈterə(n)Betekenis
- met: iemand laten zien wat diegene heeft gedaan (en wat diegene liever niet zou willen weten)
Hoe spreek je confronteren uit?
/ˌkɔmfrɔnˈterən/
Confronteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| f | fiets |
| r | rood |
| n | nek |
| t | tak |
| e | veel |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~met: iemand laten zien wat diegene heeft gedaan (en wat diegene liever niet zou willen weten) transitive
Vervoeging van confronteren
confronterenhele werkwoord — confronteerdeverleden tijd enkelvoud — confronteerdenverleden tijd meervoud — geconfronteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | confronteer | confronteerde |
| jij | confronteert | confronteerde |
| hij, zij, het | confronteert | confronteerde |
| wij | confronteren | confronteerden |
| jullie | confronteren | confronteerden |
| zij | confronteren | confronteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| confronteer | gebiedende wijs |
| confronteerde | verleden tijd |
| confrontere | aanvoegende wijs |
| confronterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geconfronteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geconfronteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geconfronteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geconfronteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geconfronteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geconfronteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geconfronteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geconfronteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geconfronteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geconfronteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconfronteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconfronteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconfronteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconfronteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconfronteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconfronteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconfronteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconfronteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconfronteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconfronteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te confronteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geconfronteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen confronteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geconfronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geconfronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geconfronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconfronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geconfronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geconfronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconfronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geconfronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geconfronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconfronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconfronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconfronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconfronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconfronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geconfronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconfronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconfronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconfronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconfronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconfronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geconfronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconfronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen confronteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geconfronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconfronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconfronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconfronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconfronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconfronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult confronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geconfronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconfronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconfronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tegenover elkaar plaatsen’ voor het eerst aangetroffen in 1609
Woordfamilie van confronteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| confronteer | gebiedende wijs | confronteren |
| confronteerde | verleden tijd | confronteren |
| confronteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | confronteren |
| confronteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | confronteren |
| confrontere | aanvoegende wijs | confronteren |
| geconfronteerd | voltooid deelwoord | confronteren |
| geconfronteerde | woordvorm | confronteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van confronteren zijn vastgelegd.