alluderen
werkwoord ɑlyˈderə(n)Betekenis
- een toespeling maken
Hoe spreek je alluderen uit?
/ɑlyˈderən/
Alluderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| l | land |
| y | fuut |
| d | dak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van alluderen
alluderenhele werkwoord — alludeerdeverleden tijd enkelvoud — alludeerdenverleden tijd meervoud — gealludeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | alludeer | alludeerde |
| jij | alludeert | alludeerde |
| hij, zij, het | alludeert | alludeerde |
| wij | alluderen | alludeerden |
| jullie | alluderen | alludeerden |
| zij | alluderen | alludeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| alludeer | gebiedende wijs |
| alludeerde | verleden tijd |
| alludere | aanvoegende wijs |
| alluderend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gealludeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gealludeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gealludeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gealludeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gealludeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gealludeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gealludeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gealludeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gealludeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gealludeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gealludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealludeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gealludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gealludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gealludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te alluderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gealludeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen alluderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gealludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gealludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gealludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gealludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gealludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gealludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gealludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gealludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gealludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gealludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen alluderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gealludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gealludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gealludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult alluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gealludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zinspelen op’ voor het eerst aangetroffen in 1561
Woordfamilie van alluderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alludeer | gebiedende wijs | alluderen |
| alludeerde | verleden tijd | alluderen |
| alludeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | alluderen |
| alludeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | alluderen |
| alludere | aanvoegende wijs | alluderen |
| alluderend | onvoltooid deelwoord | alluderen |
| alluderende | woordvorm | alluderen |
| gealludeerd | voltooid deelwoord | alluderen |
| gealludeerde | woordvorm | alluderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alluderen zijn vastgelegd.