zinspelen
werkwoordBetekenis
- ~ op op minder duidelijke wijze naar iets refereren
werkwoord
- ~ op op minder duidelijke wijze aan iets refereren unergative
Vervoeging van zinspelen
zinspelenhele werkwoord — zinspeeldeverleden tijd enkelvoud — zinspeeldenverleden tijd meervoud — gezinspeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zinspeel | zinspeelde |
| jij | zinspeelt | zinspeelde |
| hij, zij, het | zinspeelt | zinspeelde |
| wij | zinspelen | zinspeelden |
| jullie | zinspelen | zinspeelden |
| zij | zinspelen | zinspeelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezinspeeld | verleden tijd, deelwoord |
| gezinspeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezinspeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezinspeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezinspeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezinspeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezinspeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezinspeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezinspeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezinspeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezinspeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezinspeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezinspeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezinspeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezinspeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezinspeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezinspeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezinspeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezinspeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zinspelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zinspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezinspeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezinspeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezinspeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zinspeel | gebiedende wijs |
| zinspeelde | verleden tijd |
| zinspele | aanvoegende wijs |
| zinspelend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezinspeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezinspeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezinspeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezinspeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezinspeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezinspeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezinspeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezinspeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezinspeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezinspeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zinspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezinspeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zinspelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van zin en spelen
Woordfamilie van zinspelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezinspeeld | voltooid deelwoord | zinspelen |
| zinspeel | gebiedende wijs | zinspelen |
| zinspeelde | verleden tijd | zinspelen |
| zinspeelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zinspelen |
| zinspeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zinspelen |
| zinspele | aanvoegende wijs | zinspelen |
| zinspelend | onvoltooid deelwoord | zinspelen |
| zinspelende | woordvorm | zinspelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zinspelen zijn vastgelegd.