Naar de inhoud

zinspelen

~ op op minder duidelijke wijze naar iets refereren

zinspelen

werkwoord

Betekenis

  1. ~ op op minder duidelijke wijze naar iets refereren

werkwoord

  1. ~ op op minder duidelijke wijze aan iets refereren unergative

Vervoeging van zinspelen

zinspelenhele werkwoord — zinspeeldeverleden tijd enkelvoud — zinspeeldenverleden tijd meervoud — gezinspeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zinspeel zinspeelde
jij zinspeelt zinspeelde
hij, zij, het zinspeelt zinspeelde
wij zinspelen zinspeelden
jullie zinspelen zinspeelden
zij zinspelen zinspeelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gezinspeeld verleden tijd, deelwoord
gezinspeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezinspeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezinspeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezinspeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezinspeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezinspeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezinspeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezinspeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezinspeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezinspeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezinspeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezinspeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezinspeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezinspeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezinspeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezinspeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezinspeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezinspeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zinspelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zinspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gezinspeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezinspeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezinspeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zinspeel gebiedende wijs
zinspeelde verleden tijd
zinspele aanvoegende wijs
zinspelend onvoltooid, deelwoord
zou gezinspeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezinspeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezinspeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezinspeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezinspeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezinspeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezinspeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezinspeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezinspeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezinspeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zinspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezinspeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zinspelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van zin en spelen

Woordfamilie van zinspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezinspeeld voltooid deelwoord zinspelen
zinspeel gebiedende wijs zinspelen
zinspeelde verleden tijd zinspelen
zinspeelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zinspelen
zinspeelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zinspelen
zinspele aanvoegende wijs zinspelen
zinspelend onvoltooid deelwoord zinspelen
zinspelende woordvorm zinspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zinspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over zinspelen

Wat is de betekenis van zinspelen?
Zinspelen is een werkwoord. De betekenis is: ~ op op minder duidelijke wijze naar iets refereren. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik zinspelen?
Zo vervoeg je zinspelen zo: de tegenwoordige tijd is zinspeel, de verleden tijd is zinspeelde en het voltooid deelwoord is gezinspeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zinspelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. I 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. P 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zinspelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. I 2
  3. N 1
  4. S 2
  5. P 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zinspelen in het kort

zinspelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van zinspelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zinspelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zinspelen: ~ op op minder duidelijke wijze naar iets refereren
Deel zinspelen — standaardnederlands.nl