affiliëren
werkwoord ˌɑfiliˈjerə(n)Betekenis
- aansluiten bij
- (rooms-katholiek) als onderdeel aansluiten bij een orde
- dezelfde opvattingen laten zien, verwantschap tonen
- lid of zelfstandig onderdeel zijn van
- -academisch ziekenhuis
- geestverwant zijn van
- met betrekking tot personen als lid opnemen
- (vrijmetselarij) een vrijmetselaar uit een andere loge als lid in een loge opnemen
- (rooms-katholiek) opnemen in een klooster of orde als deelgenoot met de daaraan verbonden rechten
- adopteren
- met betrekking tot organisaties als zelfstandig onderdeel in een groter geheel opnemen
- (vrijmetselarij) als loge gaan horen bij een ander grootoosten of een andere grotere loge dan oorspronkelijk
- (rooms-katholiek) als onderdeel opnemen in een orde
Hoe spreek je affiliëren uit?
/ˌɑfiliˈjerən/
Affiliëren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| i | riet |
| l | land |
| j | ja |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- zich affiliëren aansluiten bij reflexive
- zich affiliëren dezelfde opvattingen laten zien, verwantschap tonen figuratively, reflexive
Vervoeging van affiliëren
affiliërenhele werkwoord — affilieerdeverleden tijd enkelvoud — affilieerdenverleden tijd meervoud — geaffilieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | affilieer | affilieerde |
| jij | affilieert | affilieerde |
| hij, zij, het | affilieert | affilieerde |
| wij | affiliëren | affilieerden |
| jullie | affiliëren | affilieerden |
| zij | affiliëren | affilieerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| affilieer | gebiedende wijs |
| affilieer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| affilieer u/je , affilieert je | gebiedende wijs |
| affilieerde | verleden tijd |
| affilieerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| affilieerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| affilieerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| affilieerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| affilieerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| affilieerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| affilieerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| affilieerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| affilieerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| affilieerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| affilieert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| affilieert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| affilieert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| affilieert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| affilieert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| affilieert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| affiliëre | aanvoegende wijs |
| affiliëre zich | aanvoegende wijs |
| affiliëren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| affiliëren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| affiliëren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| affiliërend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geaffilieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geaffilieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geaffilieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geaffilieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geaffilieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geaffilieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geaffilieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geaffilieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaffilieerd | verleden tijd, deelwoord |
| geaffilieerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaffilieerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaffilieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaffilieerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaffilieerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaffilieerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaffilieerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaffilieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaffilieerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaffilieerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaffilieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te affiliëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaffilieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen affiliëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geaffilieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geaffilieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaffilieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaffilieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaffilieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geaffilieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaffilieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me affiliëren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich affiliëren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je affiliëren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich affiliërend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geaffilieerd hebben | verleden tijd |
| zijn geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geaffilieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaffilieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaffilieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaffilieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaffilieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaffilieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaffilieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaffilieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaffilieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaffilieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaffilieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaffilieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaffilieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaffilieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaffilieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaffilieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen affiliëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen affiliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘als kind aannemen’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van affiliëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| affilieer | gebiedende wijs | affiliëren |
| affilieerde | verleden tijd | affiliëren |
| affilieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | affiliëren |
| affilieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | affiliëren |
| affiliëre | aanvoegende wijs | affiliëren |
| affiliërend | onvoltooid deelwoord | affiliëren |
| affiliërende | woordvorm | affiliëren |
| geaffilieerd | voltooid deelwoord | affiliëren |
| geaffilieerde | woordvorm | affiliëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van affiliëren zijn vastgelegd.