Naar de inhoud

affiliëren

aansluiten bij

affiliëren

werkwoord ˌɑfiliˈjerə(n)

Betekenis

  1. aansluiten bij
  2. (rooms-katholiek) als onderdeel aansluiten bij een orde
  3. dezelfde opvattingen laten zien, verwantschap tonen
  4. lid of zelfstandig onderdeel zijn van
  5. -academisch ziekenhuis
  6. geestverwant zijn van
  7. met betrekking tot personen als lid opnemen
  8. (vrijmetselarij) een vrijmetselaar uit een andere loge als lid in een loge opnemen
  9. (rooms-katholiek) opnemen in een klooster of orde als deelgenoot met de daaraan verbonden rechten
  10. adopteren
  11. met betrekking tot organisaties als zelfstandig onderdeel in een groter geheel opnemen
  12. (vrijmetselarij) als loge gaan horen bij een ander grootoosten of een andere grotere loge dan oorspronkelijk
  13. (rooms-katholiek) als onderdeel opnemen in een orde

Hoe spreek je affiliëren uit?

/ˌɑfiliˈjerən/

Affiliëren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.

De tekens in /ˌɑfiliˈjerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
i riet
l land
j ja
e veel
r rood
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. zich affiliëren aansluiten bij reflexive
  2. zich affiliëren dezelfde opvattingen laten zien, verwantschap tonen figuratively, reflexive

Vervoeging van affiliëren

affiliërenhele werkwoord — affilieerdeverleden tijd enkelvoud — affilieerdenverleden tijd meervoud — geaffilieerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik affilieer affilieerde
jij affilieert affilieerde
hij, zij, het affilieert affilieerde
wij affiliëren affilieerden
jullie affiliëren affilieerden
zij affiliëren affilieerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
affilieer gebiedende wijs
affilieer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
affilieer u/je , affilieert je gebiedende wijs
affilieerde verleden tijd
affilieerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
affilieerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
affilieerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
affilieerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
affilieerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
affilieerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
affilieerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
affilieerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
affilieerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
affilieerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
affilieert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
affilieert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
affilieert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
affilieert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
affilieert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
affilieert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
affiliëre aanvoegende wijs
affiliëre zich aanvoegende wijs
affiliëren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
affiliëren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
affiliëren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
affiliërend onvoltooid, deelwoord
ben geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geaffilieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geaffilieerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geaffilieerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geaffilieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geaffilieerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geaffilieerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geaffilieerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geaffilieerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geaffilieerd verleden tijd, deelwoord
geaffilieerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geaffilieerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geaffilieerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaffilieerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaffilieerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaffilieerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geaffilieerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geaffilieerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geaffilieerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geaffilieerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geaffilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geaffilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geaffilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geaffilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geaffilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geaffilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geaffilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geaffilieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te affiliëren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geaffilieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen affiliëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geaffilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geaffilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geaffilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geaffilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geaffilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geaffilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geaffilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geaffilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geaffilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaffilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geaffilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geaffilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaffilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me affiliëren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich affiliëren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je affiliëren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich affiliërend onvoltooid, deelwoord
zich geaffilieerd hebben verleden tijd
zijn geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geaffilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geaffilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaffilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaffilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaffilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaffilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaffilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geaffilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geaffilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geaffilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geaffilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geaffilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geaffilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geaffilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geaffilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geaffilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen affiliëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen affiliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘als kind aannemen’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Woordfamilie van affiliëren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
affilieer gebiedende wijs affiliëren
affilieerde verleden tijd affiliëren
affilieerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon affiliëren
affilieert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon affiliëren
affiliëre aanvoegende wijs affiliëren
affiliërend onvoltooid deelwoord affiliëren
affiliërende woordvorm affiliëren
geaffilieerd voltooid deelwoord affiliëren
geaffilieerde woordvorm affiliëren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van affiliëren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over affiliëren

Hoe spreek ik affiliëren uit?
Zo spreek je affiliëren uit: /ˌɑfiliˈjerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van affiliëren?
Affiliëren is een werkwoord. De betekenis is: aansluiten bij. In totaal staan er 15 betekenissen.
Hoe vervoeg ik affiliëren?
Zo vervoeg je affiliëren zo: de tegenwoordige tijd is affilieer, de verleden tijd is affilieerde en het voltooid deelwoord is geaffilieerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op affiliëren?

Affiliëren rijmt op 395 woorden op -ren; abonneren, controleren en centrifugeren bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord affiliëren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. F 4
  4. I 1
  5. L 3
  6. I 1
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

affiliëren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. F 4
  4. I 2
  5. L 3
  6. I 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

affiliëren in het kort

affiliëren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 15 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van affiliëren staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort affiliëren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

affiliëren: aansluiten bij
Deel affiliëren — standaardnederlands.nl