viseren
werkwoord /vi.ˈse.rə(n)/Betekenis
- (m.b.t. een akte, pas, enz.) voor gezien tekenen
- mikken met een vuurwapen
- beogen
Hoe spreek je viseren uit?
/viˈserən/
Viseren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| i | riet |
| s | sok |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- : (m.b.t. een akte, pas, enz.) voor gezien tekenen transitive
- : mikken met een vuurwapen unergative
- : beogen (Belgisch-Nederlands) unergative
- in het oog houden (Belgisch-Nederlands)
Vervoeging van viseren
viserenhele werkwoord — viseerdeverleden tijd enkelvoud — viseerdenverleden tijd meervoud — geviseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | viseer | viseerde |
| jij | viseert | viseerde |
| hij, zij, het | viseert | viseerde |
| wij | viseren | viseerden |
| jullie | viseren | viseerden |
| zij | viseren | viseerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geviseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geviseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geviseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geviseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geviseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geviseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geviseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geviseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geviseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geviseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geviseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geviseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geviseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geviseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geviseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geviseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geviseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geviseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geviseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geviseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geviseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te viseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen viseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| viseer | gebiedende wijs |
| viseerde | verleden tijd |
| visere | aanvoegende wijs |
| viserend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal viseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal viseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal viseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou viseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou viseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou viseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden viseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden viseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden viseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geviseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt viseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen viseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen viseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen viseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen viseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geviseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult viseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse viser (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van viseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geviseerd | voltooid deelwoord | viseren |
| geviseerde | woordvorm | viseren |
| viseer | gebiedende wijs | viseren |
| viseerde | verleden tijd | viseren |
| viseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | viseren |
| viseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | viseren |
| visere | aanvoegende wijs | viseren |
| viserend | onvoltooid deelwoord | viseren |
| viserende | woordvorm | viseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van viseren zijn vastgelegd.