uitfaseren
werkwoord ˈœytfaˌzerə(n)Betekenis
- langzaam stap voor stap stoppen van een dienst of levering van een product
Hoe spreek je uitfaseren uit?
/ˈœytfaˌzerən/
Uitfaseren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| a | maan |
| z | zon |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van uitfaseren
uitfaserenhele werkwoord — faseerde uitverleden tijd enkelvoud — faseerden uitverleden tijd meervoud — uitgefaseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | faseer uit | faseerde uit |
| jij | faseert uit | faseerde uit |
| hij, zij, het | faseert uit | faseerde uit |
| wij | faseren uit | faseerden uit |
| jullie | faseren uit | faseerden uit |
| zij | faseren uit | faseerden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgefaseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgefaseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgefaseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgefaseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgefaseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgefaseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgefaseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgefaseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| faseer uit | gebiedende wijs |
| faseerde uit | verleden tijd |
| had uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgefaseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgefaseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitfaseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te faseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen faseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal faseren | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou faseren | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden faseren | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt faseren | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen faseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen faseren | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult faseren | bijzin, toekomende tijd |
| uitfaseer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitfaseerde | bijzin, verleden tijd |
| uitfaseerden | bijzin, verleden tijd |
| uitfaseert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitfaserend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgefaseerd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgefaseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgefaseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgefaseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgefaseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgefaseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgefaseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgefaseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgefaseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgefaseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgefaseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgefaseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgefaseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitfaseren | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgefaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgefaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgefaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgefaseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgefaseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgefaseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitfaseren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgefaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgefaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgefaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgefaseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgefaseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgefaseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitfaseren uit zou(dt) faseren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitfaseren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgefaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgefaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgefaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgefaseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgefaseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgefaseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitfaseren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgefaseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgefaseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitfaseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitfaseren | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgefaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgefaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgefaseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgefaseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgefaseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgefaseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgefaseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitfaseren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
leenvertaling van Engels phase out, op te vatten als samenstelling van uit bw en faseren ww ; in de betekening "stapsgewijs beëindigen" aangetroffen vanaf 1974 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van uitfaseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| faseer uit | gebiedende wijs | uitfaseren |
| faseerde uit | verleden tijd | uitfaseren |
| faseerden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitfaseren |
| faseert uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitfaseren |
| fasere uit | woordvorm | uitfaseren |
| faseren uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitfaseren |
| uitfaseer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitfaseren |
| uitfaseerde | subordinate-clause, verleden tijd | uitfaseren |
| uitfaseerden | subordinate-clause, verleden tijd | uitfaseren |
| uitfaseert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitfaseren |
| uitfasere | with-subordinate-clause | uitfaseren |
| uitfaserend | onvoltooid deelwoord | uitfaseren |
| uitfaserende | woordvorm | uitfaseren |
| uitgefaseerd | voltooid deelwoord | uitfaseren |
| uitgefaseerde | woordvorm | uitfaseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitfaseren zijn vastgelegd.