uitfaden
werkwoordBetekenis
- geleidelijk afnemen van geluidsvolume
Vervoeging van uitfaden
uitfadenhele werkwoord — fadede uitverleden tijd enkelvoud — fadeden uitverleden tijd meervoud — uitgefadedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fade uit | fadede uit |
| jij | fadet uit | fadede uit |
| hij, zij, het | fadet uit | fadede uit |
| wij | faden uit | fadeden uit |
| jullie | faden uit | fadeden uit |
| zij | faden uit | fadeden uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| fade uit | gebiedende wijs |
| fadede uit | verleden tijd |
| is uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgefaded | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitfaden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te faden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen faden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal faden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou faden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden faden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt faden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen faden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen faden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult faden | bijzin, toekomende tijd |
| uitfade | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitfadede | bijzin, verleden tijd |
| uitfadeden | bijzin, verleden tijd |
| uitfadend | onvoltooid, deelwoord |
| uitfadet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgefaded | verleden tijd, deelwoord |
| uitgefaded te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgefaded zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgefaded | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgefaded | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgefaded | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgefaded | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgefaded | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgefaded | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgefaded | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitfaden | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgefaded zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgefaded zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgefaded zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgefaded | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgefaded | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitfaden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgefaded zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgefaded zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgefaded zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitfaden uit zou(dt) faden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitfaden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgefaded zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgefaded zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgefaded zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitfaden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgefaded zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitfaden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitfaden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgefaded zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgefaded zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgefaded zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitfaden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitfaden | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgefaded zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal uitfaden uit zult/zal faden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en faden
Woordfamilie van uitfaden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fade uit | gebiedende wijs | uitfaden |
| fadede uit | verleden tijd | uitfaden |
| fadeden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitfaden |
| faden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitfaden |
| fadet uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitfaden |
| uitfade | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitfaden |
| uitfadede | subordinate-clause, verleden tijd | uitfaden |
| uitfadeden | subordinate-clause, verleden tijd | uitfaden |
| uitfadend | onvoltooid deelwoord | uitfaden |
| uitfadende | woordvorm | uitfaden |
| uitfadet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitfaden |
| uitgefaded | voltooid deelwoord | uitfaden |
| uitgefadede | woordvorm | uitfaden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitfaden zijn vastgelegd.