Naar de inhoud

uitfaden

geleidelijk afnemen van geluidsvolume

uitfaden

werkwoord

Betekenis

  1. geleidelijk afnemen van geluidsvolume

Vervoeging van uitfaden

uitfadenhele werkwoord — fadede uitverleden tijd enkelvoud — fadeden uitverleden tijd meervoud — uitgefadedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fade uit fadede uit
jij fadet uit fadede uit
hij, zij, het fadet uit fadede uit
wij faden uit fadeden uit
jullie faden uit fadeden uit
zij faden uit fadeden uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
fade uit gebiedende wijs
fadede uit verleden tijd
is uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgefaded actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitfaden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te faden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen faden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal faden bijzin, toekomende tijd
uit zou faden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden faden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt faden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen faden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen faden bijzin, toekomende tijd
uit zult faden bijzin, toekomende tijd
uitfade bijzin, tegenwoordige tijd
uitfadede bijzin, verleden tijd
uitfadeden bijzin, verleden tijd
uitfadend onvoltooid, deelwoord
uitfadet bijzin, tegenwoordige tijd
uitgefaded verleden tijd, deelwoord
uitgefaded te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgefaded zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgefaded voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgefaded voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgefaded voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgefaded voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgefaded voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgefaded voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgefaded voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitfaden bijzin, toekomende tijd
zal uitgefaded zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgefaded zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgefaded zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgefaded actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgefaded voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitfaden bijzin, voorwaardelijk
zou uitgefaded zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgefaded zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgefaded zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitfaden uit zou(dt) faden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitfaden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgefaded zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgefaded zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgefaded zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitfaden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgefaded zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitfaden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitfaden bijzin, toekomende tijd
zullen uitgefaded zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgefaded zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgefaded zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitfaden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitfaden bijzin, toekomende tijd
zult uitgefaded zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitfaden uit zult/zal faden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en faden

Woordfamilie van uitfaden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fade uit gebiedende wijs uitfaden
fadede uit verleden tijd uitfaden
fadeden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitfaden
faden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitfaden
fadet uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitfaden
uitfade subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitfaden
uitfadede subordinate-clause, verleden tijd uitfaden
uitfadeden subordinate-clause, verleden tijd uitfaden
uitfadend onvoltooid deelwoord uitfaden
uitfadende woordvorm uitfaden
uitfadet subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitfaden
uitgefaded voltooid deelwoord uitfaden
uitgefadede woordvorm uitfaden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitfaden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitfaden

Wat is de betekenis van uitfaden?
Uitfaden is een werkwoord. De betekenis is: geleidelijk afnemen van geluidsvolume.
Hoe vervoeg ik uitfaden?
Zo vervoeg je uitfaden zo: het voltooid deelwoord is uitgefaded. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitfaden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. F 4
  5. A 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitfaden levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. F 4
  5. A 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitfaden in het kort

uitfaden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitfaden staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitfaden bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitfaden: geleidelijk afnemen van geluidsvolume
Deel uitfaden — standaardnederlands.nl