reflecteren
werkwoord ˌreflɛkˈterə(n)Betekenis
- licht of andere golven weerkaatsen
- overdrachtelijk een weerspiegeling van iets zijn
- ~ over de gedachten ergens goed over laten gaan al of niet hardop
- ~ op de gedachten ergens goed op richten
Hoe spreek je reflecteren uit?
/ˌreflɛkˈterən/
Reflecteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| e | veel |
| f | fiets |
| l | land |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een weerspiegeling van iets zijn figuratively, transitive
Vervoeging van reflecteren
reflecterenhele werkwoord — reflecteerdeverleden tijd enkelvoud — reflecteerdenverleden tijd meervoud — gereflecteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reflecteer | reflecteerde |
| jij | reflecteert | reflecteerde |
| hij, zij, het | reflecteert | reflecteerde |
| wij | reflecteren | reflecteerden |
| jullie | reflecteren | reflecteerden |
| zij | reflecteren | reflecteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gereflecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gereflecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gereflecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gereflecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gereflecteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gereflecteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gereflecteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gereflecteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gereflecteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gereflecteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereflecteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gereflecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereflecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereflecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereflecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereflecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereflecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereflecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereflecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reflecteer | gebiedende wijs |
| reflecteerde | verleden tijd |
| reflectere | aanvoegende wijs |
| reflecterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gereflecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te reflecteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen reflecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gereflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gereflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gereflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gereflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gereflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen reflecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gereflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult reflecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘terugkaatsen’ voor het eerst aangetroffen in 1627
Woordfamilie van reflecteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereflecteerd | voltooid deelwoord | reflecteren |
| gereflecteerde | woordvorm | reflecteren |
| reflecteer | gebiedende wijs | reflecteren |
| reflecteerde | verleden tijd | reflecteren |
| reflecteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | reflecteren |
| reflecteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | reflecteren |
| reflectere | aanvoegende wijs | reflecteren |
| reflecterend | onvoltooid deelwoord | reflecteren |
| reflecterende | woordvorm | reflecteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reflecteren zijn vastgelegd.