opwaaien
werkwoordBetekenis
- door de wind in beweging brengen
- ophef maken
Vervoeging van opwaaien
opwaaienhele werkwoord — waaide opverleden tijd enkelvoud — waaiden opverleden tijd meervoud — opgewaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waai op | waaide op |
| jij | waait op | waaide op |
| hij, zij, het | waait op | waaide op |
| wij | waaien op | waaiden op |
| jullie | waaien op | waaiden op |
| zij | waaien op | waaiden op |
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgewaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgewaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgewaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgewaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgewaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgewaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgewaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgewaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te waaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal waaien | bijzin, toekomende tijd |
| op zou waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen waaien | bijzin, toekomende tijd |
| op zult waaien | bijzin, toekomende tijd |
| opgewaaid | verleden tijd, deelwoord |
| opgewaaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgewaaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgewaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewaaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewaaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewaaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgewaaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgewaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgewaaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgewaaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opwaai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwaaide | bijzin, verleden tijd |
| opwaaiden | bijzin, verleden tijd |
| opwaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| opwaait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwoei | bijzin, verleden tijd |
| opwoeien | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waai op | gebiedende wijs |
| waaide op | verleden tijd |
| waart opgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| woei op | verleden tijd |
| word opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opwaaien op zou(dt) waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en waaien
Woordfamilie van opwaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgewaaid | voltooid deelwoord | opwaaien |
| opgewaaide | woordvorm | opwaaien |
| opwaai | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwaaien |
| opwaaide | subordinate-clause, verleden tijd | opwaaien |
| opwaaiden | subordinate-clause, verleden tijd | opwaaien |
| opwaaie | with-subordinate-clause | opwaaien |
| opwaait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwaaien |
| opwoei | subordinate-clause, verleden tijd | opwaaien |
| opwoeien | subordinate-clause, verleden tijd | opwaaien |
| waai op | gebiedende wijs | opwaaien |
| waaide op | verleden tijd | opwaaien |
| waaiden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opwaaien |
| waaie op | woordvorm | opwaaien |
| waaien op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opwaaien |
| waait op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opwaaien |
| woei op | verleden tijd | opwaaien |
| woeien op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opwaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwaaien zijn vastgelegd.