onteren
werkwoord ɔntˈerə(n)Betekenis
- iemand van zijn of haar eer beroven
Hoe spreek je onteren uit?
/ɔntˈerən/
Onteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- van zijn of haar aanzien beroven transitive
- dwingen tot geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk obsolete, transitive
Vervoeging van onteren
onterenhele werkwoord — onteerdeverleden tijd enkelvoud — onteerdenverleden tijd meervoud — onteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onteer | onteerde |
| jij | onteert | onteerde |
| hij, zij, het | onteert | onteerde |
| wij | onteren | onteerden |
| jullie | onteren | onteerden |
| zij | onteren | onteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is onteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was onteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd onteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt onteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal onteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal onteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou onteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou onteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had onteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had onteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had onteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden onteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden onteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden onteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt onteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onteer | gebiedende wijs |
| onteerd | verleden tijd, deelwoord |
| onteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onteerde | verleden tijd |
| ontere | aanvoegende wijs |
| onterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben onteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te onteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen onteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart onteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren onteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was onteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was onteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was onteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd onteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd onteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd onteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden onteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden onteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden onteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt onteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word onteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden onteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden onteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden onteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt onteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt onteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal onteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal onteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal onteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal onteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal onteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt onteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou onteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou onteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou onteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden onteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt onteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen onteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen onteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen onteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen onteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen onteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen onteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult onteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van eren ww met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van onteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onteer | gebiedende wijs | onteren |
| onteerd | voltooid deelwoord | onteren |
| onteerde | verleden tijd | onteren |
| onteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | onteren |
| onteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | onteren |
| ontere | aanvoegende wijs | onteren |
| onterend | onvoltooid deelwoord | onteren |
| onterende | woordvorm | onteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onteren zijn vastgelegd.