irrigator
zelfstandig naamwoordBetekenis
- toestel voor het reinigen van wonden en het uitspoelen van lichaamsholten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| irrigatoren | meervoud |
| irrigators | meervoud |
| irrigatortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| irrigatortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toestel voor het uitspoelen van lichaamsholten’ voor het eerst aangetroffen in 1901
Woordfamilie van irrigator
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| irrigatoren | meervoud | irrigator |
| irrigators | meervoud | irrigator |
| irrigatortje | verkleinwoord | irrigator |
| irrigatortjes | verkleinwoord meervoud | irrigator |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van irrigator zijn vastgelegd.