installatie
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de actie van het installeren (bijv. het zich ergens vestigen en inrichten)
- het resultaat van installeren
- een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
- eerste bijeenkomst van een besturend orgaan
- het plaatsen, opzetten of monteren van een apparaat
- het geheel van werktuigen, toestellen en de daarop aangesloten buizen en geleidingen
- het opzetten van een nieuw software-pakket op een computer
- een (veelzijdige) kunstvorm
zelfstandig naamwoord
- het laden en activeren van een nieuw software-pakket op een computer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| installaties | meervoud |
| installatietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| installatietjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordfamilie van installatie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| installaties | meervoud | installatie |
| installatietje | verkleinwoord | installatie |
| installatietjes | verkleinwoord meervoud | installatie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van installatie zijn vastgelegd.