imploderen
werkwoord ˌɪmploˈderə(n)Betekenis
- in elkaar ploffen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je imploderen uit?
/ˌɪmploˈderən/
Imploderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| m | maan |
| p | pak |
| l | land |
| o | boot |
| d | dak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van imploderen
imploderenhele werkwoord — implodeerdeverleden tijd enkelvoud — implodeerdenverleden tijd meervoud — geïmplodeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | implodeer | implodeerde |
| jij | implodeert | implodeerde |
| hij, zij, het | implodeert | implodeerde |
| wij | imploderen | implodeerden |
| jullie | imploderen | implodeerden |
| zij | imploderen | implodeerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïmplodeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïmplodeerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïmplodeerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| implodeer | gebiedende wijs |
| implodeerde | verleden tijd |
| implodere | aanvoegende wijs |
| imploderend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te imploderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geïmplodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen imploderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïmplodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïmplodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïmplodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïmplodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïmplodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïmplodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïmplodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geïmplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïmplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïmplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïmplodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïmplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïmplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïmplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïmplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïmplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïmplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïmplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïmplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïmplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïmplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïmplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen imploderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïmplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult imploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van imploderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïmplodeerd | voltooid deelwoord | imploderen |
| geïmplodeerde | woordvorm | imploderen |
| implodeer | gebiedende wijs | imploderen |
| implodeerde | verleden tijd | imploderen |
| implodeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | imploderen |
| implodeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | imploderen |
| implodere | aanvoegende wijs | imploderen |
| imploderend | onvoltooid deelwoord | imploderen |
| imploderende | woordvorm | imploderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van imploderen zijn vastgelegd.