grimeren
werkwoord ɣriˈmerə(n)Betekenis
- schminken om er de voor de rol vereiste uitdrukking aan te geven
Hoe spreek je grimeren uit?
/xriˈmerən/
Grimeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| i | riet |
| m | maan |
| e | veel |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van grimeren
grimerenhele werkwoord — grimeerdeverleden tijd enkelvoud — grimeerdenverleden tijd meervoud — gegrimeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grimeer | grimeerde |
| jij | grimeert | grimeerde |
| hij, zij, het | grimeert | grimeerde |
| wij | grimeren | grimeerden |
| jullie | grimeren | grimeerden |
| zij | grimeren | grimeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegrimeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegrimeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegrimeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegrimeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegrimeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegrimeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegrimeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegrimeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegrimeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegrimeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegrimeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegrimeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrimeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrimeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrimeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegrimeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegrimeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegrimeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegrimeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grimeer | gebiedende wijs |
| grimeerde | verleden tijd |
| grimere | aanvoegende wijs |
| grimerend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrimeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grimeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegrimeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grimeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegrimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegrimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegrimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegrimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegrimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegrimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegrimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegrimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegrimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegrimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegrimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegrimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegrimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegrimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegrimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegrimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegrimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegrimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegrimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegrimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegrimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grimeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegrimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegrimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegrimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
met het achtervoegsel -eren van Frans grimer ww , in de betekenis van ‘schminken’ aangetroffen vanaf 1888
Woordfamilie van grimeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegrimeerd | voltooid deelwoord | grimeren |
| gegrimeerde | woordvorm | grimeren |
| grimeer | gebiedende wijs | grimeren |
| grimeerde | verleden tijd | grimeren |
| grimeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grimeren |
| grimeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grimeren |
| grimere | aanvoegende wijs | grimeren |
| grimerend | onvoltooid deelwoord | grimeren |
| grimerende | woordvorm | grimeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grimeren zijn vastgelegd.