fragmenteren
werkwoord frɑxmɛnˈterə(n)Betekenis
- in kleine brokstukken uiteen doen vallen
- in kleine brokstukken uiteenvallen
Hoe spreek je fragmenteren uit?
/frɑxmɛnˈterən/
Fragmenteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| m | maan |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| e | veel |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van fragmenteren
fragmenterenhele werkwoord — fragmenteerdeverleden tijd enkelvoud — fragmenteerdenverleden tijd meervoud — gefragmenteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fragmenteer | fragmenteerde |
| jij | fragmenteert | fragmenteerde |
| hij, zij, het | fragmenteert | fragmenteerde |
| wij | fragmenteren | fragmenteerden |
| jullie | fragmenteren | fragmenteerden |
| zij | fragmenteren | fragmenteerden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefragmenteerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gefragmenteerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gefragmenteerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gefragmenteerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gefragmenteerd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gefragmenteerd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gefragmenteerd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gefragmenteerd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fragmenteer | gebiedende wijs |
| fragmenteerde | verleden tijd |
| fragmentere | aanvoegende wijs |
| fragmenterend | onvoltooid, deelwoord |
| gefragmenteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefragmenteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefragmenteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefragmenteerd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefragmenteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefragmenteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefragmenteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefragmenteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefragmenteerd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefragmenteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefragmenteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gefragmenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fragmenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gefragmenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fragmenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefragmenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefragmenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefragmenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefragmenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefragmenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fragmenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fragmenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefragmenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefragmenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse fragmenter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van fragmenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fragmenteer | gebiedende wijs | fragmenteren |
| fragmenteerde | verleden tijd | fragmenteren |
| fragmenteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fragmenteren |
| fragmenteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fragmenteren |
| fragmentere | aanvoegende wijs | fragmenteren |
| fragmenterend | onvoltooid deelwoord | fragmenteren |
| fragmenterende | woordvorm | fragmenteren |
| gefragmenteerd | voltooid deelwoord | fragmenteren |
| gefragmenteerde | woordvorm | fragmenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fragmenteren zijn vastgelegd.