discussiëren
werkwoord ˌdɪskʏˈʃerə(n)Betekenis
- van gedachten wisselen, een discussie voeren waarbij de verschillende gesprekspartners verschillende en soms ook tegengestelde meningen hebben
Hoe spreek je discussiëren uit?
/ˌdɪskʏˈʃerən/
Discussiëren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| k | kat |
| ʏ | put |
| ʃ | sjaal |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van discussiëren
discussiërenhele werkwoord — discussieerdeverleden tijd enkelvoud — discussieerdenverleden tijd meervoud — gediscussieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | discussieer | discussieerde |
| jij | discussieert | discussieerde |
| hij, zij, het | discussieert | discussieerde |
| wij | discussiëren | discussieerden |
| jullie | discussiëren | discussieerden |
| zij | discussiëren | discussieerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| discussieer | gebiedende wijs |
| discussieerde | verleden tijd |
| discussiëre | aanvoegende wijs |
| discussiërend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gediscussieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gediscussieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gediscussieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gediscussieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gediscussieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gediscussieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gediscussieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gediscussieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gediscussieerd | verleden tijd, deelwoord |
| gediscussieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gediscussieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gediscussieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gediscussieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gediscussieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gediscussieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gediscussieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gediscussieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gediscussieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gediscussieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gediscussieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gediscussieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gediscussieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gediscussieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gediscussieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gediscussieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gediscussieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te discussiëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gediscussieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen discussiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gediscussieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gediscussieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gediscussieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gediscussieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gediscussieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gediscussieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gediscussieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gediscussieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gediscussieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gediscussieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen discussiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gediscussieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gediscussieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gediscussieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult discussiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gediscussieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse discuter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van discussiëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| discussieer | gebiedende wijs | discussiëren |
| discussieerde | verleden tijd | discussiëren |
| discussieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | discussiëren |
| discussieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | discussiëren |
| discussiëre | aanvoegende wijs | discussiëren |
| discussiërend | onvoltooid deelwoord | discussiëren |
| discussiërende | woordvorm | discussiëren |
| gediscussieerd | voltooid deelwoord | discussiëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van discussiëren zijn vastgelegd.