demonteren
werkwoord ˌdemɔnˈterə(n)Betekenis
- in onderdelen uit elkaar nemen, afbreken
Hoe spreek je demonteren uit?
/ˌdemɔnˈterən/
Demonteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| m | maan |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van demonteren
demonterenhele werkwoord — demonteerdeverleden tijd enkelvoud — demonteerdenverleden tijd meervoud — gedemonteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | demonteer | demonteerde |
| jij | demonteert | demonteerde |
| hij, zij, het | demonteert | demonteerde |
| wij | demonteren | demonteerden |
| jullie | demonteren | demonteerden |
| zij | demonteren | demonteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| demonteer | gebiedende wijs |
| demonteerde | verleden tijd |
| demontere | aanvoegende wijs |
| demonterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedemonteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedemonteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedemonteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedemonteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedemonteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedemonteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedemonteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedemonteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedemonteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedemonteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedemonteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedemonteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedemonteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedemonteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedemonteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedemonteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedemonteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedemonteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedemonteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedemonteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te demonteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedemonteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen demonteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedemonteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedemonteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedemonteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedemonteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedemonteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen demonteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult demonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedemonteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedemonteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedemonteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uit elkaar nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van demonteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| demonteer | gebiedende wijs | demonteren |
| demonteerde | verleden tijd | demonteren |
| demonteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | demonteren |
| demonteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | demonteren |
| demontere | aanvoegende wijs | demonteren |
| demonterend | onvoltooid deelwoord | demonteren |
| demonterende | woordvorm | demonteren |
| gedemonteerd | voltooid deelwoord | demonteren |
| gedemonteerde | woordvorm | demonteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van demonteren zijn vastgelegd.