corroderen
werkwoordBetekenis
- inbijten in, aantasten
Vervoeging van corroderen
corroderenhele werkwoord — corrodeerdeverleden tijd enkelvoud — corrodeerdenverleden tijd meervoud — gecorrodeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | corrodeer | corrodeerde |
| jij | corrodeert | corrodeerde |
| hij, zij, het | corrodeert | corrodeerde |
| wij | corroderen | corrodeerden |
| jullie | corroderen | corrodeerden |
| zij | corroderen | corrodeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| corrodeer | gebiedende wijs |
| corrodeerde | verleden tijd |
| corrodere | aanvoegende wijs |
| corroderend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecorrodeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecorrodeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecorrodeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecorrodeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecorrodeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecorrodeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecorrodeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecorrodeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecorrodeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecorrodeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecorrodeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecorrodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecorrodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecorrodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecorrodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecorrodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecorrodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecorrodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecorrodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecorrodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecorrodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecorrodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecorrodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecorrodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecorrodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecorrodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te corroderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecorrodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen corroderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecorrodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecorrodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecorrodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecorrodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecorrodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecorrodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecorrodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecorrodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecorrodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecorrodeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen corroderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecorrodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecorrodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecorrodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult corroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecorrodeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aantasten’ voor het eerst aangetroffen in 1597
Woordfamilie van corroderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| corrodeer | gebiedende wijs | corroderen |
| corrodeerde | verleden tijd | corroderen |
| corrodeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | corroderen |
| corrodeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | corroderen |
| corrodere | aanvoegende wijs | corroderen |
| corroderend | onvoltooid deelwoord | corroderen |
| corroderende | woordvorm | corroderen |
| gecorrodeerd | voltooid deelwoord | corroderen |
| gecorrodeerde | woordvorm | corroderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van corroderen zijn vastgelegd.