associatie
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het aan elkaar koppelen of met elkaar in verband brengen
- een groep onderling samenwerkende (rechts)personen
- de omkeerbare vereniging van deeltjes tot grotere eenheden
- het samen voorkomen van planten en dieren
- het samen voorkomen van gesteenten
- een verzameling sterren
zelfstandig naamwoord
- vrije associatie: in gedachten vrijelijk verschillende zaken met elkaar in verband brengen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| associaties | meervoud |
| associatietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| associatietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het samengaan’ voor het eerst aangetroffen in 1537
Woordfamilie van associatie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| associaties | meervoud | associatie |
| associatietje | verkleinwoord | associatie |
| associatietjes | verkleinwoord meervoud | associatie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van associatie zijn vastgelegd.