appelleren
werkwoord ɑpɛˈlerə(n)Betekenis
- ~aan een beroep doen op, speculeren op
- ~ van in hoger beroep gaan, in appel gaan
- als speler de scheidsrechter roepen i.v.m. een bepaalde spelsituatie
Hoe spreek je appelleren uit?
/ɑpɛˈlerən/
Appelleren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van appelleren
appellerenhele werkwoord — appelleerdeverleden tijd enkelvoud — appelleerdenverleden tijd meervoud — geappelleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | appelleer | appelleerde |
| jij | appelleert | appelleerde |
| hij, zij, het | appelleert | appelleerde |
| wij | appelleren | appelleerden |
| jullie | appelleren | appelleerden |
| zij | appelleren | appelleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| appelleer | gebiedende wijs |
| appelleerde | verleden tijd |
| appellere | aanvoegende wijs |
| appellerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geappelleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geappelleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geappelleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geappelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geappelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geappelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geappelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geappelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geappelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geappelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geappelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geappelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geappelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geappelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geappelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geappelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geappelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geappelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te appelleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geappelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen appelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geappelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geappelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geappelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geappelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geappelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geappelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geappelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geappelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geappelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geappelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen appelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geappelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geappelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geappelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult appelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geappelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
via Middelnederlands appeleren van Frans appeler, dat teruggaat op Latijn appellare, in de betekenis van ‘in hoger beroep gaan’ aangetroffen vanaf 1281
Woordfamilie van appelleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| appelleer | gebiedende wijs | appelleren |
| appelleerde | verleden tijd | appelleren |
| appelleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | appelleren |
| appelleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | appelleren |
| appellere | aanvoegende wijs | appelleren |
| appellerend | onvoltooid deelwoord | appelleren |
| appellerende | woordvorm | appelleren |
| geappelleerd | voltooid deelwoord | appelleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van appelleren zijn vastgelegd.