Naar de inhoud

versjteren

bederven (van iets goeds), verstoren (van een gunstige ontwikkeling)

versjteren

werkwoord vərˈʃterə(n)

Betekenis

  1. bederven (van iets goeds), verstoren (van een gunstige ontwikkeling)

Hoe spreek je versjteren uit?

/vərˈʃterən/

Versjteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈʃterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
ʃ sjaal
t tak
e veel
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van versjteren

versjterenhele werkwoord — versjteerdeverleden tijd enkelvoud — versjteerdenverleden tijd meervoud — versjteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik versjteer versjteerde
jij versjteert versjteerde
hij, zij, het versjteert versjteerde
wij versjteren versjteerden
jullie versjteren versjteerden
zij versjteren versjteerden
Alle 128 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is versjteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was versjteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd versjteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt versjteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal versjteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal versjteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou versjteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou versjteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had versjteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had versjteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had versjteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden versjteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden versjteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden versjteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt versjteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben versjteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben versjteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te versjteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen versjteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verschteeren
versjteer gebiedende wijs
versjteerd verleden tijd, deelwoord
versjteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
versjteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
versjteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
versjteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
versjteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
versjteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
versjteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
versjteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
versjteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
versjteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
versjteerde verleden tijd
versjtere aanvoegende wijs
versjterend onvoltooid, deelwoord
versteren, verstieren
waart versjteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren versjteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren versjteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren versjteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was versjteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was versjteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was versjteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd versjteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd versjteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd versjteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden versjteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden versjteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden versjteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt versjteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word versjteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden versjteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden versjteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden versjteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt versjteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt versjteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal versjteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal versjteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal versjteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal versjteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal versjteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal versjteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal versjteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal versjteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt versjteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou versjteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou versjteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou versjteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou versjteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou versjteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou versjteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou versjteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou versjteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou versjteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden versjteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden versjteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden versjteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden versjteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden versjteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden versjteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden versjteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden versjteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden versjteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt versjteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt versjteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt versjteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen versjteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen versjteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen versjteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen versjteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen versjteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen versjteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen versjteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen versjteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen versjteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen versjteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult versjteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult versjteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult versjteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult versjteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

van Jiddisch פֿאַרשטערן (versjteren) "iemands plezier of vreugde bederven", vergelijk Duits verstören; in de betekenis van ‘verknoeien’ voor het eerst aangetroffen in 1906

Woordfamilie van versjteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
versjteer gebiedende wijs versjteren
versjteerd voltooid deelwoord versjteren
versjteerde verleden tijd versjteren
versjteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon versjteren
versjteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon versjteren
versjtere aanvoegende wijs versjteren
versjterend onvoltooid deelwoord versjteren
versjterende woordvorm versjteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van versjteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over versjteren

Hoe spreek ik versjteren uit?
Zo spreek je versjteren uit: /vərˈʃterə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van versjteren?
Versjteren is een werkwoord. De betekenis is: bederven (van iets goeds), verstoren (van een gunstige ontwikkeling).
Hoe vervoeg ik versjteren?
Zo vervoeg je versjteren zo: de tegenwoordige tijd is versjteer, de verleden tijd is versjteerde en het voltooid deelwoord is versjteerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op versjteren?

In dit woordenboek rijmen 395 woorden op -eren op versjteren, zoals abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord versjteren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. J 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

versjteren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. J 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

versjteren in het kort

versjteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van versjteren staan er 77 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort versjteren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

versjteren: bederven (van iets goeds), verstoren (van een gunstige ontwikkeling)
Deel versjteren — standaardnederlands.nl