traumatiseren
werkwoord ˌtrɑumatiˈzerə(n)Betekenis
- geestelijk ernstig geschokt raken, een trauma krijgen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je traumatiseren uit?
/ˌtrɑumatiˈzerən/
Traumatiseren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑu | koud |
| m | maan |
| a | maan |
| i | riet |
| z | zon |
| e | veel |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van traumatiseren
traumatiserenhele werkwoord — traumatiseerdeverleden tijd enkelvoud — traumatiseerdenverleden tijd meervoud — getraumatiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | traumatiseer | traumatiseerde |
| jij | traumatiseert | traumatiseerde |
| hij, zij, het | traumatiseert | traumatiseerde |
| wij | traumatiseren | traumatiseerden |
| jullie | traumatiseren | traumatiseerden |
| zij | traumatiseren | traumatiseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getraumatiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getraumatiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getraumatiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getraumatiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getraumatiseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getraumatiseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getraumatiseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getraumatiseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getraumatiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| getraumatiseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getraumatiseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getraumatiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getraumatiseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getraumatiseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getraumatiseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getraumatiseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getraumatiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getraumatiseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getraumatiseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getraumatiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getraumatiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te traumatiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen traumatiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| traumatiseer | gebiedende wijs |
| traumatiseerde | verleden tijd |
| traumatisere | aanvoegende wijs |
| traumatiserend | onvoltooid, deelwoord |
| waart getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getraumatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getraumatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getraumatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getraumatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getraumatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getraumatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getraumatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getraumatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getraumatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getraumatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getraumatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getraumatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getraumatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getraumatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getraumatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getraumatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getraumatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getraumatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getraumatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getraumatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getraumatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getraumatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getraumatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getraumatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getraumatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getraumatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getraumatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getraumatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen traumatiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getraumatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getraumatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getraumatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult traumatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van trauma (traumata) met het achtervoegsel -iseren
Woordfamilie van traumatiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getraumatiseerd | voltooid deelwoord | traumatiseren |
| getraumatiseerde | woordvorm | traumatiseren |
| traumatiseer | gebiedende wijs | traumatiseren |
| traumatiseerde | verleden tijd | traumatiseren |
| traumatiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | traumatiseren |
| traumatiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | traumatiseren |
| traumatisere | aanvoegende wijs | traumatiseren |
| traumatiserend | onvoltooid deelwoord | traumatiseren |
| traumatiserende | woordvorm | traumatiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traumatiseren zijn vastgelegd.