stigmatiseren
werkwoord ˌstɪxmatiˈzerə(n)Betekenis
- wonden toebrengen zoals Jesus deze tijdens zijn kruisiging verkreeg
- onuitwisbare wonden toebrengen
Hoe spreek je stigmatiseren uit?
/ˌstɪxmatiˈzerən/
Stigmatiseren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| m | maan |
| a | maan |
| i | riet |
| z | zon |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in de openbaarheid iemand beschuldigen en veroordelen
Vervoeging van stigmatiseren
stigmatiserenhele werkwoord — stigmatiseerdeverleden tijd enkelvoud — stigmatiseerdenverleden tijd meervoud — gestigmatiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stigmatiseer | stigmatiseerde |
| jij | stigmatiseert | stigmatiseerde |
| hij, zij, het | stigmatiseert | stigmatiseerde |
| wij | stigmatiseren | stigmatiseerden |
| jullie | stigmatiseren | stigmatiseerden |
| zij | stigmatiseren | stigmatiseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gestigmatiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestigmatiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestigmatiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestigmatiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestigmatiseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestigmatiseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestigmatiseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestigmatiseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestigmatiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gestigmatiseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestigmatiseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestigmatiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestigmatiseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestigmatiseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestigmatiseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestigmatiseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestigmatiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestigmatiseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestigmatiseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestigmatiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stigmatiseer | gebiedende wijs |
| stigmatiseerde | verleden tijd |
| stigmatisere | aanvoegende wijs |
| stigmatiserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestigmatiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stigmatiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stigmatiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestigmatiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestigmatiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gestigmatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestigmatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestigmatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestigmatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestigmatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestigmatiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestigmatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestigmatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestigmatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestigmatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestigmatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestigmatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestigmatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestigmatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestigmatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestigmatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestigmatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestigmatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestigmatiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestigmatiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestigmatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestigmatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestigmatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestigmatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestigmatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestigmatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stigmatiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestigmatiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestigmatiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestigmatiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stigmatiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Frans stigmatiser, in de betekenis van ‘brandmerken’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van stigmatiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestigmatiseerd | voltooid deelwoord | stigmatiseren |
| gestigmatiseerde | woordvorm | stigmatiseren |
| stigmatiseer | gebiedende wijs | stigmatiseren |
| stigmatiseerde | verleden tijd | stigmatiseren |
| stigmatiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stigmatiseren |
| stigmatiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stigmatiseren |
| stigmatisere | aanvoegende wijs | stigmatiseren |
| stigmatiserend | onvoltooid deelwoord | stigmatiseren |
| stigmatiserende | woordvorm | stigmatiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stigmatiseren zijn vastgelegd.