Naar de inhoud

prognosticeren

op basis van kennis en kunde een onderbouwde voorspelling doen

prognosticeren

werkwoord ˌprɔxnɔstiˈserə(n)

Betekenis

  1. op basis van kennis en kunde een onderbouwde voorspelling doen
  2. voorspellen hoe het beloop van een ziekte is

Hoe spreek je prognosticeren uit?

/ˌprɔxnɔstiˈserən/

Prognosticeren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.

De tekens in /ˌprɔxnɔstiˈserən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
r rood
ɔ bot
x acht
n nek
s sok
t tak
i riet
e veel
ə de
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van prognosticeren

prognosticerenhele werkwoord — prognosticeerdeverleden tijd enkelvoud — prognosticeerdenverleden tijd meervoud — geprognosticeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik prognosticeer prognosticeerde
jij prognosticeert prognosticeerde
hij, zij, het prognosticeert prognosticeerde
wij prognosticeren prognosticeerden
jullie prognosticeren prognosticeerden
zij prognosticeren prognosticeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geprognosticeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geprognosticeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geprognosticeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geprognosticeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geprognosticeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geprognosticeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geprognosticeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geprognosticeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geprognosticeerd verleden tijd, deelwoord
geprognosticeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprognosticeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprognosticeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprognosticeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprognosticeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprognosticeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprognosticeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprognosticeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprognosticeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprognosticeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprognosticeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
prognosticeer gebiedende wijs
prognosticeerde verleden tijd
prognosticere aanvoegende wijs
prognosticerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geprognosticeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te prognosticeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen prognosticeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geprognosticeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geprognosticeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geprognosticeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprognosticeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprognosticeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geprognosticeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprognosticeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geprognosticeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geprognosticeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprognosticeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprognosticeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprognosticeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprognosticeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprognosticeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprognosticeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprognosticeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprognosticeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprognosticeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprognosticeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprognosticeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprognosticeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprognosticeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprognosticeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprognosticeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprognosticeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprognosticeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprognosticeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprognosticeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen prognosticeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprognosticeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprognosticeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprognosticeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult prognosticeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afleiding van prognose

Woordfamilie van prognosticeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprognosticeerd voltooid deelwoord prognosticeren
geprognosticeerde woordvorm prognosticeren
prognosticeer gebiedende wijs prognosticeren
prognosticeerde verleden tijd prognosticeren
prognosticeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon prognosticeren
prognosticeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon prognosticeren
prognosticere aanvoegende wijs prognosticeren
prognosticerend onvoltooid deelwoord prognosticeren
prognosticerende woordvorm prognosticeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prognosticeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over prognosticeren

Hoe spreek je prognosticeren uit?
De uitspraak van prognosticeren is: /ˌprɔxnɔstiˈserə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent prognosticeren?
Prognosticeren is een werkwoord. Het woord betekent: op basis van kennis en kunde een onderbouwde voorspelling doen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je prognosticeren?
Je vervoegt prognosticeren als volgt: de tegenwoordige tijd is prognosticeer, de verleden tijd is prognosticeerde en het voltooid deelwoord is geprognosticeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op prognosticeren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op prognosticeren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord prognosticeren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. G 3
  5. N 1
  6. O 1
  7. S 2
  8. T 2
  9. I 1
  10. C 5
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

prognosticeren levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. O 1
  4. G 3
  5. N 1
  6. O 1
  7. S 2
  8. T 2
  9. I 2
  10. C 5
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 zonder bonus
  16. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

prognosticeren in het kort

prognosticeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van prognosticeren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort prognosticeren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

prognosticeren: op basis van kennis en kunde een onderbouwde voorspelling doen
Deel prognosticeren — standaardnederlands.nl