alleen
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord /ɑl.ˈen/Betekenis
- een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen
- zonder gezelschap
- zonder hulp of medewerking
- zich beperkend tot iets
- slechts
- met dit voorbehoud
Hoe spreek je alleen uit?
/ɑlˈen/
Alleen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| l | land |
| e | veel |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| allenen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘bijwoord: zonder gezelschap’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van alleen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alleens | woordvorm | alleen |
| alleenst | woordvorm | alleen |
| alleenste | woordvorm | alleen |
| allenen | meervoud | alleen |
| allener | woordvorm | alleen |
| allenere | woordvorm | alleen |
| alleners | woordvorm | alleen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alleen zijn vastgelegd.