Naar de inhoud

flaneren

rondwandelen om te zien en gezien te worden

flaneren

werkwoord flaˈnerə(n)

Betekenis

  1. rondwandelen om te zien en gezien te worden

Hoe spreek je flaneren uit?

/flaˈnerən/

Flaneren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /flaˈnerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
f fiets
l land
a maan
n nek
e veel
r rood
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van flaneren

flanerenhele werkwoord — flaneerdeverleden tijd enkelvoud — flaneerdenverleden tijd meervoud — geflaneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik flaneer flaneerde
jij flaneert flaneerde
hij, zij, het flaneert flaneerde
wij flaneren flaneerden
jullie flaneren flaneerden
zij flaneren flaneerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geflaneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geflaneerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geflaneerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geflaneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geflaneerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geflaneerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geflaneerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geflaneerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
flaneer gebiedende wijs
flaneerde verleden tijd
flanere aanvoegende wijs
flanerend onvoltooid, deelwoord
geflaneerd verleden tijd, deelwoord
geflaneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geflaneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geflaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geflaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geflaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geflaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geflaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geflaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geflaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geflaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geflaneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geflaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geflaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geflaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geflaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geflaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geflaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te flaneren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geflaneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen flaneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal flaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal flaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal flaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geflaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geflaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geflaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou flaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou flaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou flaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geflaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geflaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geflaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden flaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden flaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden flaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geflaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geflaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geflaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt flaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geflaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen flaneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen flaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen flaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen flaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geflaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geflaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geflaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult flaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geflaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

van Frans flâner (met het achtervoegsel -eren), in de betekenis van ‘rondslenteren om gezien te worden’ voor het eerst aangetroffen vanaf 1842 (zie vindplaats hieronder)

Woordfamilie van flaneren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
flaneer gebiedende wijs flaneren
flaneerde verleden tijd flaneren
flaneerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon flaneren
flaneert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon flaneren
flanere aanvoegende wijs flaneren
flanerend onvoltooid deelwoord flaneren
flanerende woordvorm flaneren
geflaneerd voltooid deelwoord flaneren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flaneren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over flaneren

Hoe spreek ik flaneren uit?
Zo spreek je flaneren uit: /flaˈnerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van flaneren?
Flaneren is een werkwoord. De betekenis is: rondwandelen om te zien en gezien te worden.
Hoe vervoeg ik flaneren?
Zo vervoeg je flaneren zo: de tegenwoordige tijd is flaneer, de verleden tijd is flaneerde en het voltooid deelwoord is geflaneerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op flaneren?

Op flaneren rijmen 395 woorden, onder andere abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord flaneren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

flaneren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

flaneren in het kort

flaneren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van flaneren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort flaneren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

flaneren: rondwandelen om te zien en gezien te worden
Deel flaneren — standaardnederlands.nl