escaleren
werkwoord ɛskaˈlerə(n)Betekenis
- stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit, uit de hand lopen
- heviger maken
- ter beslechting voordragen aan hogergeplaatsten
- aanleggen in een haven
Hoe spreek je escaleren uit?
/ɛskaˈlerən/
Escaleren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| s | sok |
| k | kat |
| a | maan |
| l | land |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van escaleren
escalerenhele werkwoord — escaleerdeverleden tijd enkelvoud — escaleerdenverleden tijd meervoud — geëscaleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | escaleer | escaleerde |
| jij | escaleert | escaleerde |
| hij, zij, het | escaleert | escaleerde |
| wij | escaleren | escaleerden |
| jullie | escaleren | escaleerden |
| zij | escaleren | escaleerden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëscaleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëscaleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëscaleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëscaleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëscaleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëscaleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëscaleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëscaleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| escaleer | gebiedende wijs |
| escaleerde | verleden tijd |
| escalere | aanvoegende wijs |
| escalerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëscaleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëscaleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëscaleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëscaleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëscaleerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëscaleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëscaleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëscaleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëscaleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëscaleerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëscaleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te escaleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geëscaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen escaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëscaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëscaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëscaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëscaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëscaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëscaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëscaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëscaleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëscaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëscaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëscaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëscaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëscaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëscaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëscaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëscaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëscaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëscaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëscaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëscaleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen escaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëscaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëscaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëscaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult escaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëscaleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëscaleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
[1]-[3]: van Engels escalate ww met het achtervoegsel -eren, in de betekenis van ‘steeds ernstiger worden’ voor het eerst aangetroffen in 1969
Woordfamilie van escaleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| escaleer | gebiedende wijs | escaleren |
| escaleerde | verleden tijd | escaleren |
| escaleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | escaleren |
| escaleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | escaleren |
| escalere | aanvoegende wijs | escaleren |
| escalerend | onvoltooid deelwoord | escaleren |
| escalerende | woordvorm | escaleren |
| geëscaleerd | voltooid deelwoord | escaleren |
| geëscaleerde | woordvorm | escaleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van escaleren zijn vastgelegd.