Naar de inhoud

escaleren

stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit, uit de hand lopen

escaleren

werkwoord ɛskaˈlerə(n)

Betekenis

  1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit, uit de hand lopen
  2. heviger maken
  3. ter beslechting voordragen aan hogergeplaatsten
  4. aanleggen in een haven

Hoe spreek je escaleren uit?

/ɛskaˈlerən/

Escaleren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ɛskaˈlerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɛ bed
s sok
k kat
a maan
l land
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van escaleren

escalerenhele werkwoord — escaleerdeverleden tijd enkelvoud — escaleerdenverleden tijd meervoud — geëscaleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik escaleer escaleerde
jij escaleert escaleerde
hij, zij, het escaleert escaleerde
wij escaleren escaleerden
jullie escaleren escaleerden
zij escaleren escaleerden
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geëscaleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geëscaleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geëscaleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geëscaleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geëscaleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geëscaleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geëscaleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geëscaleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
escaleer gebiedende wijs
escaleerde verleden tijd
escalere aanvoegende wijs
escalerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geëscaleerd verleden tijd, deelwoord
geëscaleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëscaleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëscaleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëscaleerd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëscaleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëscaleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëscaleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëscaleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëscaleerd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëscaleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
is geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te escaleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn geëscaleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen escaleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geëscaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëscaleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geëscaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëscaleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geëscaleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geëscaleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geëscaleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geëscaleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geëscaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëscaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëscaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geëscaleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geëscaleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëscaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëscaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëscaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëscaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëscaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëscaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt escaleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëscaleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen escaleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geëscaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëscaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëscaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult escaleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geëscaleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geëscaleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

[1]-[3]: van Engels escalate ww met het achtervoegsel -eren, in de betekenis van ‘steeds ernstiger worden’ voor het eerst aangetroffen in 1969

Woordfamilie van escaleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
escaleer gebiedende wijs escaleren
escaleerde verleden tijd escaleren
escaleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon escaleren
escaleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon escaleren
escalere aanvoegende wijs escaleren
escalerend onvoltooid deelwoord escaleren
escalerende woordvorm escaleren
geëscaleerd voltooid deelwoord escaleren
geëscaleerde woordvorm escaleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van escaleren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over escaleren

Hoe spreek ik escaleren uit?
Zo spreek je escaleren uit: /ɛskaˈlerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van escaleren?
Escaleren is een werkwoord. De betekenis is: stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit, uit de hand lopen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik escaleren?
Zo vervoeg je escaleren zo: de tegenwoordige tijd is escaleer, de verleden tijd is escaleerde en het voltooid deelwoord is geëscaleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op escaleren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op escaleren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord escaleren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. S 2
  3. C 5
  4. A 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

escaleren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. S 2
  3. C 5
  4. A 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

escaleren in het kort

escaleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van escaleren staan er 60 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort escaleren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

escaleren: stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit, uit de hand lopen
Deel escaleren — standaardnederlands.nl