Naar de inhoud

debiteren

als vordering (debet) boeken

debiteren

werkwoord ˌdebiˈterə(n)

Betekenis

  1. als vordering (debet) boeken
  2. vertellen, opdissen, ten beste geven

Hoe spreek je debiteren uit?

/ˌdebiˈterən/

Debiteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌdebiˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
e veel
b bak
i riet
t tak
r rood
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een bedrag als vordering (debet) boeken op een rekening; een rekening debiteren met een vordering (debet) transitive

Vervoeging van debiteren

debiterenhele werkwoord — debiteerdeverleden tijd enkelvoud — debiteerdenverleden tijd meervoud — gedebiteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik debiteer debiteerde
jij debiteert debiteerde
hij, zij, het debiteert debiteerde
wij debiteren debiteerden
jullie debiteren debiteerden
zij debiteren debiteerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
debiteer gebiedende wijs
debiteerde verleden tijd
debitere aanvoegende wijs
debiterend onvoltooid, deelwoord
er is gedebiteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedebiteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedebiteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedebiteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedebiteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedebiteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedebiteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedebiteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedebiteerd verleden tijd, deelwoord
gedebiteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedebiteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedebiteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedebiteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedebiteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedebiteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedebiteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedebiteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedebiteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedebiteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedebiteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedebiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedebiteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedebiteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedebiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedebiteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedebiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedebiteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te debiteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedebiteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen debiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedebiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedebiteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedebiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedebiteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedebiteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedebiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedebiteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedebiteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal debiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal debiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal debiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedebiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedebiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedebiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedebiteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedebiteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedebiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou debiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou debiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou debiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedebiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedebiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedebiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedebiteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedebiteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedebiteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden debiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden debiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden debiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedebiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedebiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedebiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedebiteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedebiteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedebiteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt debiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedebiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedebiteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen debiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen debiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen debiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen debiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedebiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedebiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedebiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedebiteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedebiteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedebiteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult debiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedebiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedebiteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedebiteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

met het achtervoegsel -eren van Frans débiter ww

Woordfamilie van debiteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
debiteer gebiedende wijs debiteren
debiteerde verleden tijd debiteren
debiteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon debiteren
debiteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon debiteren
debitere aanvoegende wijs debiteren
debiterend onvoltooid deelwoord debiteren
debiterende woordvorm debiteren
gedebiteerd voltooid deelwoord debiteren
gedebiteerde woordvorm debiteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van debiteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over debiteren

Hoe spreek ik debiteren uit?
Zo spreek je debiteren uit: /ˌdebiˈterə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van debiteren?
Debiteren is een werkwoord. De betekenis is: als vordering (debet) boeken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik debiteren?
Zo vervoeg je debiteren zo: de tegenwoordige tijd is debiteer, de verleden tijd is debiteerde en het voltooid deelwoord is gedebiteerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op debiteren?

Debiteren rijmt op 395 woorden op -eren; abonneren, controleren en centrifugeren bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord debiteren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. B 3
  4. I 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

debiteren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. B 4
  4. I 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

debiteren in het kort

debiteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van debiteren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort debiteren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

debiteren: als vordering (debet) boeken
Deel debiteren — standaardnederlands.nl