coïteren
werkwoord ˌkowiˈterə(n)Betekenis
- geslachtsgemeenschap hebben
Hoe spreek je coïteren uit?
/ˌkowiˈterən/
Coïteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| w | quiz |
| i | riet |
| t | tak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van coïteren
coïterenhele werkwoord — coïteerdeverleden tijd enkelvoud — coïteerdenverleden tijd meervoud — gecoïteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | coïteer | coïteerde |
| jij | coïteert | coïteerde |
| hij, zij, het | coïteert | coïteerde |
| wij | coïteren | coïteerden |
| jullie | coïteren | coïteerden |
| zij | coïteren | coïteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| coïteer | gebiedende wijs |
| coïteerde | verleden tijd |
| coïtere | aanvoegende wijs |
| coïterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecoïteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecoïteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecoïteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecoïteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecoïteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecoïteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecoïteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecoïteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecoïteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecoïteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecoïteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecoïteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecoïteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecoïteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecoïteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecoïteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecoïteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecoïteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te coïteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecoïteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen coïteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecoïteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecoïteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecoïteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecoïteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecoïteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecoïteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecoïteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecoïteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecoïteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecoïteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen coïteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecoïteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecoïteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecoïteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult coïteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecoïteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse coïter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van coïteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| coïteer | gebiedende wijs | coïteren |
| coïteerde | verleden tijd | coïteren |
| coïteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | coïteren |
| coïteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | coïteren |
| coïtere | aanvoegende wijs | coïteren |
| coïterend | onvoltooid deelwoord | coïteren |
| coïterende | woordvorm | coïteren |
| gecoïteerd | voltooid deelwoord | coïteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van coïteren zijn vastgelegd.