concipiëren
werkwoord ˌkɔnsipiˈjerə(n)Betekenis
- verwekken
- ontwerpen, opstellen
Hoe spreek je concipiëren uit?
/ˌkɔnsipiˈjerən/
Concipiëren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| s | sok |
| i | riet |
| p | pak |
| j | ja |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van concipiëren
concipiërenhele werkwoord — concipieerdeverleden tijd enkelvoud — concipieerdenverleden tijd meervoud — geconcipieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | concipieer | concipieerde |
| jij | concipieert | concipieerde |
| hij, zij, het | concipieert | concipieerde |
| wij | concipiëren | concipieerden |
| jullie | concipiëren | concipieerden |
| zij | concipiëren | concipieerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| concipieer | gebiedende wijs |
| concipieerde | verleden tijd |
| concipiëre | aanvoegende wijs |
| concipiërend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geconcipieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geconcipieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geconcipieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geconcipieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geconcipieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geconcipieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geconcipieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geconcipieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geconcipieerd | verleden tijd, deelwoord |
| geconcipieerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconcipieerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geconcipieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconcipieerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconcipieerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geconcipieerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconcipieerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geconcipieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconcipieerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geconcipieerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconcipieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te concipiëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geconcipieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen concipiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geconcipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geconcipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geconcipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconcipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geconcipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geconcipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geconcipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geconcipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geconcipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconcipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconcipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconcipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geconcipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geconcipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geconcipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconcipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconcipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geconcipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geconcipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geconcipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geconcipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geconcipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen concipiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geconcipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconcipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconcipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geconcipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geconcipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geconcipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult concipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geconcipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconcipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geconcipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
via Middelnederlands concipieren van Latijn concipere ww , in de betekenis van ‘ontwerpen’ aangetroffen vanaf 1442
Woordfamilie van concipiëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| concipieer | gebiedende wijs | concipiëren |
| concipieerde | verleden tijd | concipiëren |
| concipieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | concipiëren |
| concipieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | concipiëren |
| concipiëre | aanvoegende wijs | concipiëren |
| concipiërend | onvoltooid deelwoord | concipiëren |
| concipiërende | woordvorm | concipiëren |
| geconcipieerd | voltooid deelwoord | concipiëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van concipiëren zijn vastgelegd.