chicaneren
werkwoord ʃikaˈnerə(n)Betekenis
- met gezochte bezwaren komen, voortdurend met kritiek op kleinigheden komen
- voortduren lastigvallen door met gezochte kritiek, treiteren met vermeende onvolkomenheden
Hoe spreek je chicaneren uit?
/ʃikaˈnerən/
Chicaneren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʃ | sjaal |
| i | riet |
| k | kat |
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van chicaneren
chicanerenhele werkwoord — chicaneerdeverleden tijd enkelvoud — chicaneerdenverleden tijd meervoud — gechicaneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | chicaneer | chicaneerde |
| jij | chicaneert | chicaneerde |
| hij, zij, het | chicaneert | chicaneerde |
| wij | chicaneren | chicaneerden |
| jullie | chicaneren | chicaneerden |
| zij | chicaneren | chicaneerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chicaneer | gebiedende wijs |
| chicaneerde | verleden tijd |
| chicanere | aanvoegende wijs |
| chicanerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gechicaneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gechicaneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechicaneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gechicaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gechicaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gechicaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gechicaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gechicaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gechicaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gechicaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gechicaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechicaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gechicaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechicaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gechicaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gechicaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechicaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechicaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te chicaneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gechicaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen chicaneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gechicaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechicaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gechicaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gechicaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechicaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechicaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gechicaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechicaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechicaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gechicaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen chicaneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gechicaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechicaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechicaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult chicaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gechicaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse chicaner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van chicaneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chicaneer | gebiedende wijs | chicaneren |
| chicaneerde | verleden tijd | chicaneren |
| chicaneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | chicaneren |
| chicaneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | chicaneren |
| chicanere | aanvoegende wijs | chicaneren |
| chicanerend | onvoltooid deelwoord | chicaneren |
| chicanerende | woordvorm | chicaneren |
| gechicaneerd | voltooid deelwoord | chicaneren |
| gechicaneerde | woordvorm | chicaneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chicaneren zijn vastgelegd.