calcineren
werkwoord ˌkɑlsiˈnerə(n)Betekenis
- blootstellen aan hoge temperaturen onder zuurstofrijke omstandigheden
Hoe spreek je calcineren uit?
/ˌkɑlsiˈnerən/
Calcineren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| l | land |
| s | sok |
| i | riet |
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van calcineren
calcinerenhele werkwoord — calcineerdeverleden tijd enkelvoud — calcineerdenverleden tijd meervoud — gecalcineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | calcineer | calcineerde |
| jij | calcineert | calcineerde |
| hij, zij, het | calcineert | calcineerde |
| wij | calcineren | calcineerden |
| jullie | calcineren | calcineerden |
| zij | calcineren | calcineerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| calcineer | gebiedende wijs |
| calcineerde | verleden tijd |
| calcinere | aanvoegende wijs |
| calcinerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecalcineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecalcineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecalcineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecalcineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecalcineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecalcineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecalcineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecalcineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecalcineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecalcineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecalcineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecalcineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecalcineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecalcineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecalcineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecalcineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecalcineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecalcineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te calcineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecalcineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen calcineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecalcineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecalcineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecalcineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecalcineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecalcineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecalcineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecalcineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecalcineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecalcineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecalcineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen calcineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecalcineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecalcineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecalcineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult calcineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecalcineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
met het achtervoegsel -eren afgeleid van het Frans calciner ww
Woordfamilie van calcineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| calcineer | gebiedende wijs | calcineren |
| calcineerde | verleden tijd | calcineren |
| calcineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | calcineren |
| calcineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | calcineren |
| calcinere | aanvoegende wijs | calcineren |
| calcinerend | onvoltooid deelwoord | calcineren |
| calcinerende | woordvorm | calcineren |
| gecalcineerd | voltooid deelwoord | calcineren |
| gecalcineerde | woordvorm | calcineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van calcineren zijn vastgelegd.