bouderen
werkwoord buˈderə(n)Betekenis
- niet fel, maar wel langdurig ontevredenheid laten blijken
- mokkend benaderen, pruilen tegen
Hoe spreek je bouderen uit?
/buˈderən/
Bouderen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| d | dak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bouderen
bouderenhele werkwoord — boudeerdeverleden tijd enkelvoud — boudeerdenverleden tijd meervoud — geboudeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boudeer | boudeerde |
| jij | boudeert | boudeerde |
| hij, zij, het | boudeert | boudeerde |
| wij | bouderen | boudeerden |
| jullie | bouderen | boudeerden |
| zij | bouderen | boudeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boudeer | gebiedende wijs |
| boudeerde | verleden tijd |
| boudere | aanvoegende wijs |
| bouderend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboudeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geboudeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboudeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboudeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboudeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboudeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboudeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboudeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bouderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboudeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bouderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bouderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bouderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Frans bouder ww met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van bouderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boudeer | gebiedende wijs | bouderen |
| boudeerde | verleden tijd | bouderen |
| boudeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bouderen |
| boudeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bouderen |
| bouderend | onvoltooid deelwoord | bouderen |
| bouderende | woordvorm | bouderen |
| geboudeerd | voltooid deelwoord | bouderen |
| geboudeerde | woordvorm | bouderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouderen zijn vastgelegd.