boegseren
werkwoord buxˈserə(n)Betekenis
- voortslepen door een of meer (andere) schepen
- behoedzaam naar een gewenste situatie leiden
Hoe spreek je boegseren uit?
/buxˈserən/
Boegseren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| x | acht |
| s | sok |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van boegseren
boegserenhele werkwoord — boegseerdeverleden tijd enkelvoud — boegseerdenverleden tijd meervoud — geboegseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boegseer | boegseerde |
| jij | boegseert | boegseerde |
| hij, zij, het | boegseert | boegseerde |
| wij | boegseren | boegseerden |
| jullie | boegseren | boegseerden |
| zij | boegseren | boegseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boegseer | gebiedende wijs |
| boegseerde | verleden tijd |
| boegsere | aanvoegende wijs |
| boegserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboegseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geboegseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboegseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboegseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboegseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboegseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboegseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboegseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboegseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboegseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboegseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboegseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboegseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboegseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboegseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboegseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboegseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboegseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boegseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboegseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boegseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboegseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboegseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboegseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboegseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboegseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboegseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboegseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboegseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboegseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboegseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boegseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboegseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboegseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboegseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boegseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboegseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘met sloepen voorttrekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van boegseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boegseer | gebiedende wijs | boegseren |
| boegseerde | verleden tijd | boegseren |
| boegseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | boegseren |
| boegseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | boegseren |
| boegsere | aanvoegende wijs | boegseren |
| boegserend | onvoltooid deelwoord | boegseren |
| boegserende | woordvorm | boegseren |
| geboegseerd | voltooid deelwoord | boegseren |
| geboegseerde | woordvorm | boegseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boegseren zijn vastgelegd.