banketteren
werkwoord /bɑŋkɛˈterə(n)/Betekenis
- een feestelijke maaltijd gebruiken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je banketteren uit?
/bɑŋkɛˈterən/
Banketteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van banketteren
banketterenhele werkwoord — banketteerdeverleden tijd enkelvoud — banketteerdenverleden tijd meervoud — gebanketteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | banketteer | banketteerde |
| jij | banketteert | banketteerde |
| hij, zij, het | banketteert | banketteerde |
| wij | banketteren | banketteerden |
| jullie | banketteren | banketteerden |
| zij | banketteren | banketteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| banketteer | gebiedende wijs |
| banketteerde | verleden tijd |
| bankettere | aanvoegende wijs |
| banketterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebanketteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebanketteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebanketteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebanketteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebanketteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebanketteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebanketteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebanketteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebanketteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebanketteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebanketteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebanketteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebanketteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebanketteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebanketteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebanketteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebanketteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebanketteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te banketteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebanketteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen banketteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebanketteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebanketteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebanketteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebanketteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebanketteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebanketteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebanketteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebanketteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebanketteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebanketteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen banketteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebanketteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebanketteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebanketteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult banketteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebanketteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands banketeren; op te vatten als afleiding van banket met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van banketteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| banketteer | gebiedende wijs | banketteren |
| banketteerde | verleden tijd | banketteren |
| banketteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | banketteren |
| banketteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | banketteren |
| bankettere | aanvoegende wijs | banketteren |
| banketterend | onvoltooid deelwoord | banketteren |
| banketterende | woordvorm | banketteren |
| gebanketteerd | voltooid deelwoord | banketteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van banketteren zijn vastgelegd.