actualiseren
werkwoord ˌɑktyˌwaliˈzerə(n)Betekenis
- actueel maken, maken tot een onderwerp dat op het ogenblik van belang is
- bijwerken, moderniseren, updaten
Hoe spreek je actualiseren uit?
/ˌɑktyˌwaliˈzerən/
Actualiseren bestaat uit zes lettergrepen. De klemtoon ligt op de vijfde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| k | kat |
| t | tak |
| y | fuut |
| w | quiz |
| a | maan |
| l | land |
| i | riet |
| z | zon |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van actualiseren
actualiserenhele werkwoord — actualiseerdeverleden tijd enkelvoud — actualiseerdenverleden tijd meervoud — geactualiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | actualiseer | actualiseerde |
| jij | actualiseert | actualiseerde |
| hij, zij, het | actualiseert | actualiseerde |
| wij | actualiseren | actualiseerden |
| jullie | actualiseren | actualiseerden |
| zij | actualiseren | actualiseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| actualiseer | gebiedende wijs |
| actualiseerde | verleden tijd |
| actualisere | aanvoegende wijs |
| actualiserend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geactualiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geactualiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geactualiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geactualiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geactualiseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geactualiseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geactualiseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geactualiseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geactualiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geactualiseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geactualiseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geactualiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geactualiseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geactualiseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geactualiseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geactualiseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geactualiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geactualiseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geactualiseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geactualiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te actualiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geactualiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen actualiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geactualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geactualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geactualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geactualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geactualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geactualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geactualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geactualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geactualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geactualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geactualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geactualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geactualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geactualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geactualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geactualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geactualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geactualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geactualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geactualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geactualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geactualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen actualiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geactualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geactualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geactualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geactualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geactualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geactualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult actualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geactualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geactualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geactualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
met het achtervoegsel -iseren van Frans actualiser ww
Woordfamilie van actualiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| actualiseer | gebiedende wijs | actualiseren |
| actualiseerde | verleden tijd | actualiseren |
| actualiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | actualiseren |
| actualiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | actualiseren |
| actualisere | aanvoegende wijs | actualiseren |
| actualiserend | onvoltooid deelwoord | actualiseren |
| actualiserende | woordvorm | actualiseren |
| geactualiseerd | voltooid deelwoord | actualiseren |
| geactualiseerde | woordvorm | actualiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van actualiseren zijn vastgelegd.