repliceren
werkwoord ˌrepliˈserə(n)Betekenis
- opnieuw hetzelfde maken
- reageren of antwoorden op wat eerder gezegd of geschreven is, meestal om je te verdedigen of het gemelde tegen te spreken
Hoe spreek je repliceren uit?
/ˌrepliˈserən/
Repliceren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| e | veel |
| p | pak |
| l | land |
| i | riet |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- opnieuw hetzelfde van iets maken in een zo getrouw mogelijke kopie transitive
- reageren of antwoorden op iets wat eerder gezegd of geschreven is, meestal bij wijze van verdediging/weerwoord en/of om het gemelde tegen te spreken transitive
Vervoeging van repliceren
replicerenhele werkwoord
Herkomst
uit het Frans
Woordfamilie van repliceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerepliceerd | woordvorm | repliceren |
| gerepliceerde | woordvorm | repliceren |
| repliceer | woordvorm | repliceren |
| repliceerde | woordvorm | repliceren |
| repliceerden | woordvorm | repliceren |
| repliceert | woordvorm | repliceren |
| replicere | woordvorm | repliceren |
| replicerend | woordvorm | repliceren |
| replicerende | woordvorm | repliceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van repliceren zijn vastgelegd.