draad
zelfstandig naamwoord /draːt/Betekenis
- in elkaar gesponnen vezels
- de vanzelfsprekende opeenvolging van tekstonderdelen die voor de begrijpelijkheid van een tekst noodzakelijk is
- de meestal geïsoleerd uitgevoerde, betrekkelijk dunne elektrische geleider in verbindingsmateriaal zoals snoeren en kabeltjes
- oude bijnaam voor een radiotelegrafist
- een verkorte uitdrukking voor 'schroefdraad'
- vezel van vlees, hout en andere materialen
- lang, dun en buigbaar stuk metaal
Hoe spreek je draad uit?
/drat/
Draad bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| a | maan |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een verkorte uitdrukking voor "schroefdraad" abbreviation
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| draadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| draadjes | verkleinwoord, meervoud |
| draden | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘garen, vezel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van draad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draadje | verkleinwoord | draad |
| draadjes | verkleinwoord meervoud | draad |
| draden | meervoud | draad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van draad zijn vastgelegd.