spagaat
zelfstandig naamwoord spaˈɣatBetekenis
- een gymnastische houding waarbij een been naar voren en een naar achteren is gestrekt en een hoek van 180° vormen
- een moeilijke positie waarin iemand verkeert die zich gedwongen voelt rekening te houden met tegengestelde belangen en dergelijke
Hoe spreek je spagaat uit?
/spaˈxat/
Spagaat bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| a | maan |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spagaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spagaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| spagaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘spreidzit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1970
Woordfamilie van spagaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spagaatje | verkleinwoord | spagaat |
| spagaatjes | verkleinwoord meervoud | spagaat |
| spagaten | meervoud | spagaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spagaat zijn vastgelegd.