piraat
zelfstandig naamwoord piˈratBetekenis
- iemand die op zee schepen kaapt
Hoe spreek je piraat uit?
/piˈrat/
Piraat bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| r | rood |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die op zee met een schip andere schepen aanvalt en/of kaapt
- iemand die zonder vergunning en/of illegaal een bepaalde activiteit doet figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| piraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| piraatjes | verkleinwoord, meervoud |
| piraten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zeerover’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van piraat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| piraatje | verkleinwoord | piraat |
| piraatjes | verkleinwoord meervoud | piraat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piraat zijn vastgelegd.