graad
zelfstandig naamwoord ɣratBetekenis
- eenheid om hoeken te meten (1/360 deel van de cirkelomtrek), onderverdeeld in minuten en seconden, booggraad
- elk van de gelijke delen waarin sommige schaalverdelingen verdeeld zijn, vooral die van thermometers
- groepering van 2 opeenvolgende jaren in het lager en secundair onderwijs in België
- titel die na afgelegd examen, verdedigde stellingen enz. aan een studerende wordt toegekend b.v. meestergraad
- macht
Hoe spreek je graad uit?
/xrat/
Graad bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| a | maan |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| graadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| graadjes | verkleinwoord, meervoud |
| graden | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘eenheid van schaalverdeling, rang’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van graad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| graadje | verkleinwoord | graad |
| graadjes | verkleinwoord meervoud | graad |
| graden | meervoud | graad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van graad zijn vastgelegd.